UPDF AI

Emancipatiestrijd moet uit de hand lopen

M. Ostaijen

2021 · DOI: 10.5553/BENM/138900692021048001010
Beleid en Maatschappij · 0 Citations

Abstract

Zoals Yvonne La Grouw terecht stelt is de coronacrisis een feministisch drama. Niet zozeer omdat Covid-19 nu vooral vrouwen treft, maar omdat deze pandemie bestaande ongelijkheden uitvergroot en daardoor masculiene waarden en patriar‐ chale normen zal versterken.1 Zo toonde recent onderzoek aan dat tijdens de eer‐ ste lockdown 22 procent van de werkende mannen meer zorgtaken op zich had genomen, ook benoemd door Justine van de Beek. Deze bevinding werd met luid applaus onthaald (‘Vaders gaan vaker voor kinderen zorgen’), maar bij nadere beschouwing stemt het tot milde triestheid.2 Want zelfs wanneer kinderen volle‐ dig thuis en afhankelijk van vader en moeder zijn, en wanneer pappa en mamma voltijds aan huis gekluisterd zijn, presteert 78 procent van de Nederlandse vaders het om geen extra vinger uit te steken naar de kinderen. Dat lijkt me opmerkelijk. Er blijkt een soort granieten kern van onwrikbare voltijdmannen te bestaan die zelfs in een crisissituatie niet in staat zijn om zich uit de traditionele rolverhou‐ dingen te worstelen. Het is deerniswekkend leed dat stemt tot deemoedigheid, en het verdient onze oprechte deelneming. Het mag een verbazingwekkende bevinding zijn, het mag nauwelijks een verras‐ sing zijn. Want de emancipatie van de man is namelijk nooit serieus onderdeel geweest van Haags beleid of onze maatschappelijke verwachtingen. En daardoor blijft emancipatie in een oude groef hangen. Een herlezing van Simone de Beau‐ voirs De tweede sekse toont de pijnlijke actualiteit van dit ‘eersterangsboek’,3 omdat het boek uit 1949 (!) niets aan actualiteitswaarde heeft ingeboet. Daarbij is een focus op mannen nodig omdat ‘de hele geschiedenis van vrouwen is gemaakt door mannen. Zoals er in Amerika geen negerprobleem bestaat, maar een blan‐ kenprobleem, zoals ook het antisemitisme geen joods probleem is maar ons pro‐ bleem, zo is het vrouwenvraagstuk ook altijd een probleem van de man geweest’ (De Beauvoir, 1949, 188).